VENSTER (HART, 2015)

In een koffiebar in mijn buurt hangt al jaren een grote foto van Erwin Olaf. Een dikke dame zit in een pastelkleurig retrokeukentje op een stoel een beetje zielig voor zich uit te staren. 's Ochtends schijnt de zon door het grote raam schuin op die foto en dan beeld ik me in dat het licht écht binnenvalt in dat keukentje en dat er een voorzichtige glimlach op het gelaat van die vrouw verschijnt.
Heerlijk om naar te kijken, hoe het daglicht binnenvalt op een kunstwerk in een galerie of een museum, en hoe dat kunstwerk daardoor voortdurend verandert. Ik houd niet van dooie bunkers zoals Tate Modern, waar de wereld is buitengesloten en de kunstwerken bevroren lijken in de tijd. 

Ik zie ook graag hoe mensen aandachtig staan te kijken naar al die kunst. De kunstwerken hoeven niet bijzonder interessant te zijn, ik geniet meer van het totaalplaatje waarbij licht, mensen, architectuur en kunst één geheel vormen.


Hetzelfde gevoel heb in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Zelf ben ik zo ongelovig als de pest, maar de manier waarop architectuur, kunst en licht hier ingezet werden om mensen onder de indruk te brengen is indrukwekkend. Jammer dat het Lam Gods er niet meer in de oorspronkelijke Veytkapel hangt: Van Eyck had de lichtinval op zijn schilderij precies afgestemd op het licht in die kapel.

Kunst is een venster op de wereld, maar kunst heeft ook een venster nodig op zichzelf.

On Kawara in het museum Dhondt-Dhaenens! Die datumschilderijtjes heb je snel gezien (zo is dat altijd met conceptkunst) maar die sfeer! Dat licht! Dhondt-Dhaenens is het mooiste museum van België, daar mag je een hoop natte dweilen op de grond smijten, het zal er nog altijd betoverend uitzien. En die ruimte met dat grote raam op de eerste verdieping van het S.M.A.K.: kijk je bij valavond van buiten naar binnen, dan lijkt het wel een operadecor, met de toeschouwers als figuranten (een tip voor de Vlaamse Opera).


Kunst heeft vensters nodig; wanneer die openstaan gebeuren wonderlijke dingen. In het museum voor religieuze kunst in Madeira zag ik een mooi werkje van Dirk Bouts. Een groot raam stond op een kier,  uit het restaurant aan de overkant drong de geur van gefrituurde calamares naar binnen.

“Is dat wel goed voor deze schilderijen?” vroeg ik de suppoost. “Moet deze ruimte met haar onschatbare werken niet hermetisch worden afgesloten en geklimatiseerd?”

“Dat raam staat hier al eeuwen open,” zei hij. “Die schilderijen hebben de buitenlucht nodig. Als we alles potdicht maken, gaan ze kapot.”


Dat gerestaureerde Lam Gods moet terug naar zijn oorspronkelijke plek, naar zijn oorspronkelijke lichtbron. En dat raam in die kapel moet weer open, voor de oorspronkelijke geur van gegrilde lamskoteletjes.


CINEMA (HART, 2013)

Op een koude dag in maart neem ik de trein naar Leuven. Mijn slappe benen en koortsige kop ga ik te lijf met een overdosis Dafalgan, want de hardnekkige kunstliefhebber in mij wil zo nodig het werk van Saskia Olde Wolbers zien. Ooit vond ik op het internet een mooi filmpje van haar, en de huidige tentoonstelling in Museum M is een unieke kans die ik niet wil missen. Terwijl het sneeuwlandschap voorbijglijdt, luister ik naar ‘Autobahn’ van Kraftwerk. De muziek in mijn oortjes vermengt zich naadloos met de open- en dichtgaande treindeuren, de ping van de intercom en de stem van de conducteur. Kunst en leven die in elkaar overvloeien, ja, zo zou dat altijd moeten zijn. Van MP3 tot MoMA, Kraftwerk is de Kraftmayonaise tussen high art en low art. Het doet me dromen van een toekomst waarin musea de deuren opengooien voor alle vormen van kunst: high, low en alles ertussenin. Waarom niet in elk museum een concertzaaltje met wekelijks optredens van beloftevolle popgroepjes? Niet als lokkertje maar als een volwaardig onderdeel van een globale visie. En waarom ook niet een goed uitgerust cinemazaaltje waar plaats is voor een selectie van de betere film of televisiereeks? ‘Mad Men’ at S.M.A.K.!

In het station van Leuven ontwaak ik uit mijn koortsige visioenen, neem snel nog een strip Dafalgan en loop tot bij Museum M, waar op de tweede verdieping drie video-installaties van Wolbers te zien zijn. De dromerige beelden van exotische planten en bizarre interieurs passen uitstekend bij mijn licht hallucinatoire toestand. Bij elk filmpje vertelt een stem een ander verhaal: een Hollywood-actrice stort neer in het Amazonewoud, een man onderneemt een reis door Afrika op weg naar zijn broer, een Duitse professor heeft een vreemde ontmoeting met een Japanse zenmeester. Mooie beelden, bevreemdende verhalen, maar tegelijk zit ik me ook een beetje te ergeren. De filmpjes worden getoond in een loop en nergens staan vertoningsuren vermeld, zodat je er middenin valt, wat niet bevorderlijk is voor het begrijpen van deze zorgvuldig opgebouwde juweeltjes. Sommige vertelstemmen zijn bovendien in een moeilijk verstaanbaar Engels, maar ondertitels zijn er niet. De tekst staat wel in de begeleidende brochure maar in een donkere ruimte heb je daar weinig aan; gelukkig kan ik me behelpen met het ingebouwde lichtje van mijn telefoon. In een gewone cinema moeten ze zoiets niet proberen, bedenk ik. Stel je voor: ik wil naar ‘Amour’ maar er zijn geen vaste vertoningsuren en de kaartjesverkoopster zegt dat ik maar op goed geluk moet binnengaan en wachten tot de film opnieuw begint, waardoor ik natuurlijk al van bij het begin weet dat de oude man zijn vrouw zal verstikken onder een kussen (sorry voor de spoiler), en samen met mijn kaartje krijg ik ook een brochure in de handen gestopt ter vervanging van de ontbrekende ondertitels …

Enfin, over deze tentoonstelling van Saskia Olde Wolbers verder geen slecht woord. Ik kijk al uit naar haar volgende filmpjes. In een echte cinema, met goed aangeduide beginuren en ondertitels. De reclame vooraf neem ik er dan wel bij.


STREPEN (HART, 2015)

Het vuilnis stapelt zich op in de Gentse straten, de stank is niet meer te harden. Ik besluit mijn geliefde stad te ontvluchten, op zoek naar betere oorden. Zo spoel ik aan in Hasselt, een gezellig provincienest met propere straten en goedlachse mensen. Misschien vraag ik hier wel asiel. Maar eerst wil ik toch even het cultuurgehalte peilen, want een stad zonder kunst is als een kamer zonder vensters. Op de Zuivelmarkt vind ik de Eastmen Gallery. In zijn mooie ruimte geeft de galeriehouder me enthousiast uitleg over TRASH, een fijne groepstentoonstelling, samengesteld door Koen van den Broek. Het resultaat is een beetje onevenwichtig, maar dat neem ik er graag bij, want hier wordt nog vanuit de buik gewerkt, het enthousiasme druipt van de muren. Tot mijn verbazing blijkt het de enige galerie voor hedendaagse kunst in Hasselt.

“Voelt u zich hier niet eenzaam?” vraag ik.

“Toch wel een beetje,” zegt hij, “Er zijn nog wel andere cultuurplekken in de stad, maar die tonen vooral mode en design”, en hij wijst naar de overkant van de straat.

“Z33, Huis voor Actuele Kunst” lees ik op de gevel. Ik ga er een kijkje nemen en zie designmeubelen van Konstantin Grcic. Ik ben helemaal geen hokjesdenker — behalve de kippen van Koen Vanmechelen moet niets in een hok — maar design is geen actuele kunst. Dan mag je overal bordjes met don’t touch hangen, en dan mag je er in de catalogus Peter Sloterdijk en Richard Sennett bij sleuren, daar helpt geen lievemoederen aan: een stoel blijft iets om op te zitten en een wc iets om je behofte in te doen. Misschien moet Z33 zijn naam veranderen in Huis voor Actuele Objecten.


Nee, dan is de tentoonstelling in het Modemuseum even verderop, over modeontwerper Paul Smith, wél duidelijk. Dit is mode, geen twijfel mogelijk. Ik krijg er een vrolijke blik achter de schermen van de  ontwerper, wereldberoemd geworden met zijn streepjesmotieven. De wanden op de benedenverdieping zijn helemaal bedekt met die bekende verticale strepen.

Het doet me ergens aan denken… Natuurlijk, aan de strepen van beeldend kunstenaar Daniel Buren. Is Smith dan ook een kunstenaar? Of is Buren een designer? Ik begin te twijfelen. Kunst? Design? Mode? Mijn gedachten draaien rondjes, de strepen beginnen voor mijn ogen te dansen, ik krijg hoofdpijn. Ik verlaat het Modemuseum, op zoek naar frisse lucht. Buiten kom ik terecht in een enorme mensenzee. Ik kan geen kant meer uit en word meegezogen naar de ingang van een gloednieuw gebouw — PRIMARK, staat in grote letters  op de gevel. Er wordt geduwd en getrokken. Het goedlachse is van de gezichten der Hasselaren verdwenen. De massa drijft me mee naar binnen, waar mensen elkaar te lijf gaan voor goedkoop textiel uit Bangladesh. Twee vrouwen vliegen elkaar in de haren voor een gestreept T-shirt van 2 euro.


Ik krijg een berichtje van het thuisfront: de staking is voorbij, het vuilnis wordt weer opgehaald. Ik ontvlucht Primark langs de nooduitgang en rijd opgelucht naar huis. Hasselt mag dan netter zijn, op het gebied van kunst heeft Gent nog altijd een paar streepjes voor.

SLAPENDE HONDEN (HART, 2013)

“Neem alsjeblieft geen foto’s,” zegt de vriendelijke mevrouw in het piepkleine Amsterdamse galerietje waarvan ik de naam hier niet wil vernoemen. “Als dit op het internet terechtkomt is het hek van de dam. Ik zou niet graag hebben dat mijn zaak in brand wordt gestoken, begrijpt u?” Ze lacht een beetje ongemakkelijk. Om binnen te komen moest ik kloppen, daarna moest ik mijn schoenen uittrekken. We staan op een verhoogje, bedekt met een patchwork van bidmatjes. De kunstenaar is een moslim, legt de galeriehoudster me uit, maar hij is ook homo, en dat is nogal problematisch. Ik knik begrijpend. Homoslim, je zult het maar zijn. Om zijn eigen verknipte gevoelens uit te drukken heeft de kunstenaar deze bidmatjes in stukken geknipt, door elkaar gehaald en opnieuw aan elkaar genaaid, verduidelijkt ze, terwijl ze er snel aan toevoegt dat ze zelf katholiek opgevoed is.
“Mooi,” zeg ik, “maar waar bent u eigenlijk bang voor?”
“Dat daar,” zegt ze, en ze wijst naar een stuk bidmat met een afbeelding van Mekka. En dan zie ik het: net onder het panorama van de heilige stad heeft de kunstenaar een hond geborduurd. Het beest slaapt vredig.
“De hond wordt in de islam als onrein beschouwd, en dat is ook hoe de kunstenaar zich behandeld voelt.”
“Ik begrijp het,” zeg ik, “de combinatie van een heilige plek met een onrein dier ligt een beetje gevoelig.”
We kijken in stilte naar het geborduurde beest, dat zich van geen kwaad bewust lijkt. Onwillekeurig denk ik aan de rellen over de Deense cartoons, de fatwa tegen Salman Rushdie, de moord op Theo van Gogh een paar kilometer hier verderop. Kunst en koran, het is een explosief mengsel. Toen Monty Python ‘The life of Brian’ maakte was er hier en daar wat gemor bij katholieke filmliefhebbers, en ‘Bakske vol met stro’ leverde een donderpreek op van een eenzame pastoor, maar John Cleese en Urbanus moesten nooit onderduiken. Het voordeel van de katholieke moraal: de daad volgt nooit het woord. Dat moet je die moslimfundi’s wel nageven: ze voegen de daad bij hun heilige woord. Met resultaat, de schrik zit er diep in.
De uitwassen van de islam, de onderdrukking en terreur in naam van de Profeet, het is een taboe in de kunstwereld. De gestenigde paus van Maurizio Cattelan, de pischristus van Andres Serrano, het moet allemaal kunnen, maar van de profeet Mohammed blijft men liever af. Als zelfs oude cartoonkrijger Kamagurka zegt dat hij er geen grappen over wil maken (hij houdt het tegenwoordig veilig bij postsurrealistische schilderijen) weet je dat er iets fout zit. Dat viel ook op tijdens Newtopia, de grote tentoonstelling over de mensenrechten vorige zomer in Mechelen: genoeg commentaar op fascisme, nazisme, kapitalisme, kolonialisme, Apartheid, maar niets over moslimfundamentalisme.
Ik trek mijn schoenen terug aan en neem afscheid van de galeriehoudster. Ik heb bewondering voor deze vrouw. Kennelijk is ze zelf een beetje verrast door het ter plekke gemaakte werk en de mogelijke impact, maar toch vond ze het niet nodig het te verwijderen. En waarom ook? Het is tenslotte maar een mooie, slapende hond. Maar hem wakker maken, nee, dat liever niet.


VOETBALTEMPELS  (HART, 2016)

Andreas Tirez is een idioot. Maar voor ik vertel wie meneer Tirez is en waarom hij zo idioot is, even dit.
Ik was erbij, laatst in december, toen AA Gent de miljardenploeg van Zenit Sint-Petersburg naar huis speelde met 2-1 en zo een historische plaats veroverde in de achtste finales van de Champions League. De ontlading wanneer Milicevic het winnende doelpunt scoort, de wave die door de tribunes rolt, 20.000 mensen die gelukkig naar huis gaan. Wat kan voetbal mooi zijn.


Maar goed, terug naar meneer Tirez.
In De Tijd van 28 januari stelt Tirez, kernlid van de liberale denktank Liberales, de cultuursubsidies in vraag omdat ze een mattheuseffect veroorzaken. Het mattheuseffect is een moeilijke naam voor het fenomeen waarbij rijken rijker worden en armen armer. Cultuursubsidies werken dat volgens Tirez in de hand. Hij haalt een onderzoek aan van de Universiteit Gent waaruit blijkt dat er voor musea en tentoonstellingen een groot verschil is in participatiegraad tussen hoog- en laagopgeleiden. De conclusie van Tirez : ‘Cultuursubsidies blijken dus een klassiek voorbeeld van het mattheuseffect te zijn, waarbij zij die hebben zullen krijgen. En dat geld komt van de belastingen die de niet-gebruiker moet betalen, en dus de niet-gebruiker armer maakt.’ Hij besluit: ‘Het is voor mij een raadsel dat zogenaamde sociale partijen die opkomen voor meer gelijkheid vaak de grootste verdedigers zijn van cultuursubsidies.’

Zijn pleidooi komt er dus op neer dat iedereen maar beter de reële kost betaalt van zijn cultuurbehoeftes.


Terug naar het voetbal.
Een dag later, op 29 januari, meldt Het Laatste Nieuws dat het nieuwe Eurostadion in Brussel de belastingbetaler 432 miljoen zal kosten. Dan denk ik: dat geld komt van de belastingen die de niet-voetballiefhebber moet betalen en dus de niet-voetballiefhebber armer maakt. Ondertussen was al bekend dat de stad Gent de nieuwe meerderheidsaandeelhouder is van de Ghelamco Arena, het voetbalstadion van AA Gent. Het stadion komt voor vier vijfde terecht in de handen van de overheid. De bouwheer zat met een schuld van zo’n 27 miljoen euro. Via een ingewikkelde constructie werd dat probleem opgelost. Onder andere de waterintercommunale Farys deed een duit in het zakje. Wat een tussengemeentelijke watermaatschappij te zoeken heeft in het voetbal is me niet duidelijk (een bron ontdekt onder het stadion?) Volgens De Standaard heeft het stadsbestuur ondertussen zo’n 93 euro per Gentenaar uitgegeven aan het stadion. Geld waarmee men de armoede had kunnen bestrijden. Denkt u daar maar eens over na, meneer Tirez, terwijl u over uw gesubsidieerde autosnelweg naar uw denktank rijdt.


De Groene Amsterdammer berekende dat de Nederlandse overheid tussen 1996 en 2011 via allerlei constructies 1,1 miljard euro in het betaald voetbal stak; in België zal dat niet veel anders zijn.
Ik wil gerust wat meer betalen voor mijn museumbezoek, meneer Tirez. De belachelijk goedkope jaarkaarten van 20 euro waarmee het S.M.A.K. onlangs gooide hoeven voor mij niet. Maar dan iedereen gelijk voor de wet: reken de reële kosten van het voetbal ook door aan de verbruiker. Tenminste, als u er een volksopstand voor over hebt.
Nu we toch bezig zijn: al die onnozele programma’s op de openbare omroep hoeven voor mij ook niet gratis — ik kijk toch alleen maar naar De Canvasconnectie. Laat de mensen betalen voor hun TV-verbruik zoals ze dat doen voor hun water. Misschien moet de watermaatschappij maar eens participeren in de VRT.

STREEKMUSEUM (HART, 2013)

“Twee euro vijfenzeventig, alstublieft.”
Ik geef de kassadame een briefje van vijf en krijg netjes twee euro vijfentwintig terug, samen met mijn ticket. Twee euro vijfenzeventig … waarom geen drie, wil ik vragen – maar er zal wel een logica achter zitten, en bovendien wil ik niet moeilijk doen, want waar vind je nog zulke entreeprijzen, behalve in het Museum van Deinze en de Leiestreek.
Ik ben naar hier gekomen voor ‘Omzien’, een tentoonstelling met Vlaamse kunstenaars die in de jaren tachtig doorbraken: Ingrid Castelein, Karel Dierickx, Marc Maet, Thé van Bergen, Philippe Vandenberg, Fik van Gestel en Philip Van Isacker. In de entreehal met benauwend laag plafond blijf ik staan bij twee witte plastic tafeltjes met stoelen, model Brico-GB.
“Van wie is dit?” vraag ik aan de kassadame.
“Dat weet ik niet,” zegt ze, “maar bij mooi weer zetten we die tafeltjes en stoeltjes buiten, zodat de mensen kunnen zitten.”
Ik dank haar voor de opheldering en loop tot in een centrale ruimte, waar de echte tentoonstelling begint. Maar mijn aandacht wordt er meteen afgeleid door de merkwaardige architectuur, die doet denken aan een sporthal uit de jaren zeventig: bakstenen muren (crèmekleurig geverfd), kamerbreed tapijt (bruin, met onbestemde vlekken) en zware draagbalken uit de tijd toen er nog tropisch hout à volonté was. Ik probeer de architectuur te vergeten en begeef me naar een schilderij van Marc Maet, maar nu wordt mijn blik afgeleid door iets in een hoek aan de overkant van de zaal. Ik loop er heen en zie tot mijn verbazing een kitchenette; boven het aanrecht hangt een papier: BIJ HET BEGIN VAN DE RECEPTIE DE DEUREN VAN DE BIETENOOGST SLUITEN. Ik besluit mijn hoofd hier niet over te breken en loop op een werk van Thé van Bergen toe, als mijn pad gekruist wordt door twee vrouwelijke suppoosten, tegen de pensioenleeftijd aan, wier outfit mijn interesse opwekt: donkerblauwe pakken met roze sjaaltjes, als uit een oude SABENA-reclame. Onwillekeurig volg ik deze nostalgische verschijningen tot op de eerste verdieping, waar ik mijn zelfbeheersing terugvind en ik mijn blik weer op de schilderijen richt. Maar net wanneer ik een werkje van Fik van Gestel nader (dat tussen twee deuren hangt met de bordjes PERSONEEL en LEESZAAL), zie ik even verder om de hoek een merkwaardig tafereel: een vleeskroon met namaakworsten hangt er boven een verzameling antieke kinderwagens, een stel oude schoolbanken en een collectie jeneverflessen. Nu ben ik pas goed in de war, en ik realiseer me dat ik nog geen enkel schilderij goed heb bekeken. De tijd begint te dringen en ik loop rap terug naar beneden, tot in een andere zaal; maar wanneer ik een schilderij van Ingrid Castelein wil bekijken, zie ik boven mijn hoofd een kolossale luchter, donker en dreigend, die me ineens de adem beneemt. Het koude zweet breekt me uit en het begint te schemeren voor mijn ogen. Snel trek ik de plastic gordijnen opzij, open het raam, klauter over de geraniums naar buiten en blijf hijgend tegen de muur staan.
“Wilt u liever zitten, meneer?”
Het is de kassadame; ze reikt me een plastic stoel aan.